De tijd van toen en nu..

Welkom op mijn clubje Nostalgie.

Waar is de tijd van toen gebleven? Een gezellig plaatje of een gezellig praatje.Hier hopen we dat we een gezellige club krijgen waar iedereen zich thuis voelt.

Niets moet hier en niets is verplicht maar ik zou het fijn vinden dat je je even voorstelt in het forum zodat we ook weten tegen wie we het hebben.

 En weet je ook iets te vertellen van vroeger dan zie
ik dat in het forum.

En met alle respect naar elkaar toe.
Verder wens ik je veel  plezier en gezelligheid toe.

Liefs van het Team! 

Nu volgen enkele oude vooroorlogse haakpatronen uit het boek : de nuttige handwerken voor meisjes, uit 1922. Ik neem het precies zo over uit het boek zoals het er in vermeld staat!

 ** kettingsteken, zijn steken die wij losse st. noemen!!

Het manteltje wordt van kinderwol gehaakt en aan de onderzijde begonnen op een opzetsel van 100 kettingsteken. Dit is de helft van de bruikbare grootte. Het wordt in heen en teruggaande toeren gewerkt. In den eersten toer wordt afwisselend 1 kettingsteek, een vasten steek in den tweeden volgenden kettingsteek gewerkt.

 In alle volgende toeren wordt voor het omkeeren een kettingsteek gerekend en 1 kettingst. van het patroontje, dus begint elke toer met 2 kettingsteken. De vaste steek wordt telkens gewerkt om den kettingsteek van den vorigen toer. Nu volgen nog 5 toeren waarbij in den 1sten, 3den, en 5den toer om den anderen steek, 2 steken gelijk worden opgenomen en afgewerkt met èèn vasten steek; men steekt hiervoor onder den eersten kettingsteek in en brengt de haaknaald, achter den volgenden vasten steek omgaande, onder den volgenden kettingsteek naar voren waardoor een mindering verkregen wordt. Door het werken van deze minderingtoeren wordt, naar den hals toe, den mindere wijdte verkregen. Na den laatsten toer wordt het werk niet omgekeerd, maar langs den eersten voorrand, de onderzijde en daarna langs den tweeden voorrand een toer gehaakt met schulpjes. Voor ieder schulpje werkt men: 1 vaste steek, 4 stokjes, 1 vasten steek om den 4den volgenden steek.

Voor het kapje:
Voor het kapje wordt hetzelfde getal steken opgezet als van den laatsten toer van het manteltje, zooveel toeren gehaakt, dat de hoogte gelijk is aan de helft van de breedte. Dan wordt de breedte dubbel gevouwen en van de beide zijden de steken te zamen gehaakt. Aan het einde daarvan wordt de draad afgehecht. De opzetsteken van het kapje, worden met de steken van den laatsten toer van het manteltje, verbonden met een toer gaatjes van 1 kettingsteek, 1 stokje, waardoor een gehaakt of gedraaid koordje geregen wordt om het manteltje vast te strikken.
Langs den voorrand van het kapje wordt evenals rondom het manteltje een toer schulpjes gehaakt en door de gaatjes daaronder ook een koordje geregen, dat een weinig strak wordt aangehaald. Aan de punt van het kapje wordt een kwastje gezet.

Bron Binnekieke ( Anna )

~~~~~~

Dankzij de toename van de welvaart ontwikkelde de poffer zich vanaf 1860 als modevorm uit de muts. Elk dorp had vroeger wel een mutsenplooister. Op verzoek, gingen deze mutsenmakers zelf mutsen maken volgens de eisen van de klant.
Mutsenmaaksters waren er in drie rangen:

de ‘allerlaagste’ waren degenen die mutsen schoonmaakten en wasten.

de `middenklasse` werd gevormd door diegenen die de nieuwe mutsen maakten.

de ‘upper ten’ werd gevormd door de deftige vervaardigsters van poffers.

De “upper ten” gaven dus ook de mode aan.
Mutsen- en poffermaaksters waren vaak ongehuwde dames die mank liepen of een bultje hadden…

Bron Binnekieke ( Anna )  

Welkom bij Clubs!

Kijk gerust verder op deze club en doe mee.

Wat is dit?


Of maak zelf een Clubs account aan:


Aanbevelingen door leden:

poepelotje starstarstarstarstar

Heerlijk even wegdromen bij zoveel mooie dingen uit het verleden.


amanta starstarstarstarstar

voor dingen van vroeger kan je hier terecht echt geweldig leuk dus lid worden allemaal!!!!


Meer aanbevelingen